Alex van Heusden en Mirjam Rigterink in gesprek met Anja Meulenbelt

Verbijsterd was ze in eerste instantie, toen ze gebeld werd over de P.C. Hooftprijs. Ze had nooit literaire ambities gehad. Die prijs, die kónden ze haar toch helemaal niet toekennen? Maar ze deden het wel. Anja Meulenbelt neemt dit voorjaar de P.C. Hooftprijs voor beschouwend proza in ontvangst. Eenentachtig jaar oud en drieënvijftig boeken verder. ‘Ze hebben er wel lang mee gewacht, niet?’

‘Ik had twee schrijvende grootmoeders en een dichtende oom, en toch heb ik nooit bedacht dat schrijven iets voor mij zou kunnen zijn. Ik ben gaan schrijven omdat we in de vrouwenbeweging destijds constateerden dat er zoveel thema’s waren waar nog niet over geschreven werd, terwijl ze hoogst urgent waren. Op zoveel manieren waren vrouwen zichzelf opnieuw aan het uitvinden: in hun huwelijk, in hun werk, in hun seksualiteit. Maar het stond nergens. Ik dacht toen: andermans verhaal mag ik niet zomaar gebruiken. Mijn eigen verhaal wel. Ik ben een doorsnee vrouw van deze tijd die aan de hand van haar eigen ervaringen deze politieke thema’s kan adresseren. Ik schreef De schaamte voorbij (1976) en de ontvangst was overrompelend. Dat het in de vrouwenbeweging gelezen zou worden, had ik wel gedacht, maar dat het zo breed gelezen zou worden… Tegelijkertijd was de kritiek niet mals: het was vulgair; het was geen literatuur. Ik dacht: wat een bizar verwijt. Ik wil ook helemaal geen literatuur schrijven. De urgentie van de thema’s werd door deze mensen helemaal niet onderkend. Gelukkig door anderen wel. En nog steeds, zo blijkt, nu het opnieuw uitgegeven is. Met schrijven ben ik niet meer opgehouden.’

...

We zitten aan tafel met thee en chocola - ‘Ik had jullie als theedrinkers ingeschat, maar ik kan koffie maken, hoor. Sommige mensen komen nergens toe zonder koffie.’ Om ons heen kasten vol boeken en nog wat stapels boeken op de grond, op krukjes, op tafeltjes - ‘Ja, ik moet opruimen. Ik probéér op te ruimen. Hoeveel van deze boeken ga ik nog een keer lezen?’ - en twee nieuwsgierige zwarte poezen, Lotje Linkersok en Max. ‘Die beesten kunnen zich fantastisch verstoppen. Ogen dicht en je ziet ze niet meer in het donker. Dan ben je ze gewoon even kwijt. Maar op een dag begon een van mijn zwarte sokken te mauwen...’

Gefeliciteerd met die prachtige prijs! Wat een erkenning…

‘Ja, ik vind het bijzonder dat de jury heeft gemeend juist aan dit soort werk een prijs toe te kennen. Ze zijn zich er bewust van dat ze daarmee een nieuwe koers inslaan. Hopelijk biedt deze erkenning weer meer kansen aan schrijvers die óók op deze manier schrijven: die hun eigen ervaringen delen en daarmee urgente politieke thema’s aansnijden. Het zijn de boeken die ik zelf nu ook het liefste lees. Bijvoorbeeld: boeken van mensen met een dubbele culturele achtergrond, die schrijven over hoe dat is als je een kind bent van Marokkaanse ouders in Nederland. Auteurs als Sinan Çankaya of Lotfi el Hamidi. Die boeken vertellen mij wat ik niet zelf kan bedenken. Het is zowel ondersteunend voor mensen die hetzelfde meemaken, als educatief voor mensen die zo leren wat een ander meemaakt. Of bijvoorbeeld het boek van Alejandra Ortiz , een transvrouw van kleur die naar Nederland is gekomen en nu haar verhaal vertelt. Ik denk dan: wauw, dat jij dat durft. Dat zijn de boeken die ik nu interessant en urgent vindt. Auteurs die uitleggen dat je moslim kunt zijn én progressief - dat vraagt helaas vandaag de dag om uitleg. Of dat je vrouw kunt zijn én trans. Allemaal auteurs die in wezen de formule gebruiken die ik ook gebruik: ze hebben een politiek verhaal te vertellen, maar schrijven zichzelf niet uit dat verhaal weg: dit maak ik mee. Weet je, ik heb zoveel felicitaties gekregen van mensen die aangaven dat ze het gevoel hadden een beetje “mee te winnen”. Alsof die prijs iets openbrak waardoor ook zij erbij hoorden.’

De prijs lijkt me ook een erkenning voor het belang van de thema’s waar je over schrijft.

‘Helaas zijn ze nog steeds - of weer - hoogst actueel. Migranten, moslims, transmensen, zwarte mensen, vrouwen, ze hebben allemaal reden om ongerust te zijn over ontwikkelingen in onze samenleving. Bovendien zijn er ook allerlei misverstanden gegroeid over deze thema’s. Over emancipatie bijvoorbeeld: we doen nu alsof dat gaat over onafhankelijk zijn. Terwijl onze ontdekking destijds juist was: emancipatie is een collectieve zaak. Ik erger me ook aan feministes die menen dat hoofddoeken per definitie af moeten. Dan denk ik: kijk om je heen! Niet iedere vrouw heeft hetzelfde nodig. Nu ik terugkijk, zie ik hoe ik zelf die plank ook soms heb misgeslagen. Een voorbeeld: wij vochten voor het opheffen van het kostwinnersbeginsel. Want wij wilden ons eigen geld verdienen, buitenshuis werken, een eerlijker rolverdeling in onze gezinnen. Ik heb me destijds niet gerealiseerd dat ons perspectief dat van de hoogopgeleide vrouw was - excuus voor het waardeoordeel dat altijd meeklinkt in dat woord. Tot ik vrouwen ontmoette die veel minder kansen hadden op die goedbetaalde baan die wij ambieerden, en in de armoede terechtkwamen nu het sociale vangnet ook verdween. Hadden wij niet aan gedacht! Kwamen ze ook nog in een neoliberaal systeem terecht dat in wezen de schuld van armoede bij henzelf legde. Ik zat bij een avond met een groep alleenstaande moeders met weinig opleiding die hun verhaal deden in het bijzijn van politici. Die laatsten kwamen onmiddellijk met politieke oplossingen op de proppen. Ik zag die moeders denken: jaja, doe maar. Maar eigenlijk waren ze, realiseerde ik me, in de eerste plaats op zoek naar erkenning. Voor hun worsteling, voor het feit dat wat ze doen - hun kinderen opvoeden - belangrijk is. Toen ik dat zei, kwamen er tranen.’

‘Het lijkt wel of wij vergeten zijn hoe belangrijk het is: kinderen grootbrengen. Dat kinderen onze toekomst zijn en opvoeden dus een wezenlijke bijdrage is aan onze samenleving - geen privé hobby. En ook zijn we vergeten dat we dat collectief zouden moeten doen. In Gaza zijn ze dat niet vergeten. Verschillende generaties in één huis voeden samen de kinderen op. Ouderen vragen zich niet af waar ze voor leven, ze hebben een duidelijke rol in de gezinnen van hun kinderen. Begrijp me goed, ik ga dat niet romantiseren. Maar met alles wat we in onze strijd voor emancipatie gewonnen hebben, hebben we ook dingen verloren. De waardering voor opvoeders. Het vanzelfsprekende van de zorg voor onze ouders. Mijn Palestijnse vrienden krijg ik niet uitgelegd wat mantelzorg is. Zorgen voor je familie is zo vanzelfsprekend, daar heb je geen apart woord voor. Wij moeten het opnieuw doordenken: hoe winnen we weer iets terug van de waardering voor zorg en voor het besef dat we collectief verantwoordelijk zijn voor elkaar en onze kinderen, zónder dat we weer gevangen raken in de traditionele rolpatronen. Gezinnen kunnen op zoveel manieren samengesteld zijn. Als kinderen maar met voldoende volwassenen een vertrouwensband kunnen opbouwen, is het goed. Volgens onderzoek moeten dat er geloof ik tenminste drie zijn. Maar of dat drie vaders zijn of drie anderen, dat maakt voor die kinderen niets uit.’

Je hebt veel geschreven over de Palestijnen.

‘Ik was getrouwd met een Palestijnse man. Heb veel Palestijnse vrienden. Ben er vaak geweest. En zet me al jaren in voor een stichting die daar medische hulp organiseert. Tot mijn grote verdriet is de situatie hopelozer dan dertig jaar geleden. Na 7 oktober 2023 heb ik zoveel gehuild. Tot mijn verbijstering ging het in alle kranten alleen over de verschrikkelijke aanval van Hamas en nergens over de geschiedenis tot dan toe. In de maanden en jaren daarna heb ik de media zien opschuiven. Eerst alleen in opinieartikelen, ten slotte ook in de koppen. Inmiddels vindt een meerderheid van de mensen in Nederland dat wat Israël doet niet door de beugel kan. We kunnen er ook niet meer omheen; je kunt het op de televisie zien. Maar wat ik moeilijk vind om te zien, is dat Hamas nog altijd een terroristische organisatie genoemd wordt, terwijl ik denk dat het van belang is hen te beschouwen als een verzetsorganisatie. Daarmee erken je namelijk het leed van de bezetting en het recht op verzet daartegen, zelfs het recht op gewapend verzet als vreedzaam verzet niets heeft uitgehaald. Soms zeggen mensen tegen mij: wat jammer dat de Palestijnen geen Nelson Mandela hebben. Maar die hebben ze wel. Die zit alleen in de gevangenis. Het probleem is dat Israël geen De Klerk heeft. Ik snap het hoor, ons ongemak met het veroordelen van Israël. Dat heeft zijn geschiedenis. En ik begrijp ook de schok over het geweld van 7 oktober. En toch vind ik het pijnlijk: dat veel mensen die nu eindelijk erkennen dat Israël alle perken te buiten gaat, daar gelijk aan toevoegen - maar het geweld van Hamas was ook heel erg. Alsof dat toch iets vergoelijkt.’

‘Ik vind het onverdraaglijk dat ik nu eerlijk gezegd ook geen uitweg meer zie. Ooit dacht ik dat een tweestatenoplossing het conflict zou kunnen beëindigen, maar die is al heel lang van de baan. Toen hoopte ik dat er toch een manier gevonden zou worden om vreedzaam samen te leven in dezelfde staat. Ten slotte is dat in de geschiedenis ook lang gelukt. Maar deze volkeren zijn zo diep getraumatiseerd, dat kan niet meer. Nu heb ik echt geen idee hoe verder. En tegelijkertijd: dat betekent niet dat we het nu moeten opgeven. Juist nu moeten we ons blijven inzetten voor vrede. Kijken waar we een verschil kunnen maken. Die ambtenaren bij het ministerie van Buitenlandse Zaken die nu al bijna tweeënhalf jaar lang elke donderdag tijdens hun lunchpauze protesteren tegen het Nederlandse beleid, ik vind het geweldig. Zoveel geduld en doorzettingsvermogen. Dan denk ik: dan kan ik ook niet opgeven.’

Je hebt je als volwassene laten dopen. Op welke manier is de bijbel een inspiratiebron voor jou?

‘Ik heb van huis uit niets meegekregen qua bijbel of geloof. Maar ik leerde begin jaren negentig Huub Oosterhuis kennen door een interview dat hij met me hield en een serie programma’s die ik vervolgens maakte in de Rode Hoed. Op een gegeven moment zei ik: mag ik eens komen kijken wat jullie daar op zondagmorgen “in godsnaam” doen? “Ga maar boven zitten,” zei hij, “beneden zingen ze heel hard.” Maar ik ging beneden zitten en raakte zo ontroerd. En dat gebeurde me iedere keer als ik er kwam. Ik heb geen duidelijk godsbeeld, nog steeds niet. Ik heb ook weinig woorden voor waar die ontroering vandaan kwam. Ik ben niet verder gekomen dan dat het is alsof iets me een duwtje in de rug geeft en zegt: ga! Dat heilige moeten dat ik had en heb, dat heb ik leren begrijpen als iets dat met dat verhaal te maken heeft. Ik denk dat Huub en ik dat ook in elkaar herkenden. Toen ik actief was voor de SP, vonden partijgenoten het soms maar lastig te begrijpen dat ik mezelf gelovig noemde. “Kijk eens naar jezelf,” zei ik dan, “al je vrije tijd ben je bezig met flyeren, bij mensen aanbellen, voor de partij werken, omdat je een rechtvaardiger wereld wilt. En… helpt het?” Als je je tegen de klippen op inzet voor een andere wereld, waarom zou je dat geen geloof kunnen noemen?’

Later ben je je gaan inzetten voor Bij1.

‘Ik vond dat de SP zich blindstaarde op de witte arbeider. Er zijn méér arbeiders, zei ik dan. Ook ten aanzien van Palestina en over feminisme vond ik ze op een gegeven moment niet scherp genoeg. En toen begon een zwarte vrouw iets nieuws, Sylvana Simons. Ik heb meegeschreven aan het beginselprogramma van Bij1 en daar sta ik nog steeds helemaal achter: het gaat om radicale gelijkwaardigheid, economische rechtvaardigheid en internationale solidariteit. Ik heb veel geleerd daar. Allerlei mensen die zich niet gehoord voelden in de politiek, sloten zich aan. Als hoofd van het kenniscentrum probeerde ik bijeenkomsten te organiseren waarin deze mensen hun perspectieven konden delen. Maar er ontstonden toch te veel misverstanden en de actiegroepen die zich hadden aangesloten, bleken de actiegroepencultuur van wij eisen… binnen de partij moeilijk los te kunnen laten: samenwerken, compromissen sluiten - dat lukte onvoldoende. De partij zelf werd een slagveld van groepen die zich over en weer niet erkend voelden. Achteraf gezien was er nog veel meer gesprek nodig geweest: om elkaars perspectieven beter te leren begrijpen. Jammer. Misschien was het nog te vroeg.’

Ben je ondanks alles hoopvol?

‘Weet je, ik ben niet optimistisch, zeker op de korte termijn niet. Over de wereld niet. Over Nederland niet. Over Palestina niet. Over hoe vrouwenrechten weer meer onder druk lijken te staan niet. Maar ik ben tot de conclusie gekomen dat het niet gaat om winnen. Ik heb gezien dat je heel veel kunt bereiken als je je voor iets inzet; de vrouwenbeweging heeft dat bijvoorbeeld laten zien. Tegelijkertijd is er ook genoeg niet gelukt en ben ik daar soms heel verdrietig van. Maar je kunt pessimistisch zijn en toch de hoop niet laten varen. Mijn bottom line is - als het helemaal niks wordt, heeft het aan mij niet gelegen. Ik hoef nooit het gevoel te hebben: had ik maar… want ik heb het allemaal gedaan en spijt heb ik er niet van - van bijna niets. Ik wil blijven lezen en schrijven en me blijven engageren. Ik weet ook eigenlijk niks leukers. Nu bijvoorbeeld met de Dolle Mina’s die weer opgestaan zijn en die me dan uitnodigen om een bijdrage te leveren. Ik vind dat zo geweldig leuk. En zelfs die malle prijs is dan een mooi hart onder de riem.’

Boekentips van Anja

  • Francesca Albanese 2025: Wanneer de wereld slaapt. Verhalen, woorden en wonden uit Palestina. Amsterdam: Atlas Contact.
  • Daniel Boyarin 2023: The No-State Solution. A Jewish Manifesto. New Haven and London: Yale University Press.
  • Sinan Çankaya 2025: Galmende geschiedenissen. Amsterdam: De Bezige Bij.
  • Huub Oosterhuis 2011: Ik versta onder liefde. Utrecht: Ten Have.
  • Huub Oosterhuis 2012: Red hen die geen verweer hebben. Utrecht: Ten Have.
  • Gloria Wekker 2020: Witte onschuld. Paradoxen van kolonialisme en ras. Amsterdam: Amsterdam University Press.