Partir c’est mourir un peu. Susan Taubes, geboren Feldmann, vertrok als elfjarig kind met haar vader, die net van haar moeder was gescheiden, van Hongarije naar Amerika. Dat was het begin van een langgerekt sterfproces dat in 1969 zou eindigen met haar zelfgekozen verdrinkingsdood op Long Island, New York. Een leven getekend door afscheid en scheiding: van haar land, haar jeugd, van haar moeder, van zichzelf. Mourir beaucoup.

Vlak voor haar suicide voltooide zij haar autobiografische roman Divorcing. Die werd onlangs herontdekt en in Nederlandse vertaling uitgegeven (Scheiden, Zaandam 2022).

Susan Feldmann (1928–1969), was de kleindochter van de opperrabbijn van de aartsconservatieve fractie van de Joden in Boedapest, en dochter van Sándor Feldmann, een bekende atheïstische psychoanalyticus, en Marion Bátory, een zeer knappe, mondaine, grotendeels afwezige moeder. Zij, zelf ook ook een schoonheid, trouwde in 1949 in New York met Jacob Taubes (Wenen 1923), rabbijn, filosoof, geleerde van de buitencategorie en naar eigen zeggen een ‘onmogelijk mens’. Jacob Taubes is onder theologen vooral bekend van de meerdaagse workshop die hij kort voor zijn dood gaf over Paulus, waarvan uitgebreid verslag is gedaan in Die politische Theologie des Paulus (München 1993). Ze kregen twee kinderen — in de roman heeft ze er drie — en scheidden in 1962. Jacob weigerde heel lang de scheidingspapieren te ondertekenen. Zij bleef tot haar dood Susan Taubes heten.

In de roman heet Susan Taubes Sophie Blind. Blind was de meisjesnaam van Jacobs moeder. Jacob Taubes alias Ezra vormt Sophie/Susan naar zijn beeld en gelijkenis: Ook zij wordt zeer geleerd, promoveert op een studie over Simone Weil, schrijft een boek over Afrikaanse mythen en verhalen en vele literaire werken, die pas sinds 2019 bij Brill in Leiden werden gepubliceerd. Het laatste deel (Philosophische Schriften 2) verschijnt in 2023. In de romantische versie van zichzelf lijkt ze afstand te nemen van haar intellectuele carrière. ‘Mijn man dwong me ertoe,’ zegt ze tegen een minnaar. Maar net als Jacob doceerde ze van 1960–1969, dus nog tot haar dood, religie aan de Columbia University. Daarnaast was ze lid van The Open Theater (een soort ‘Het Werktheater’) en maakte deel uit van een groep schrijvers rond Susan Sonntag.

Scheiden is een fascinerend, hallucinerend en vaak hard boek. Sophie/Susan heeft niets te verliezen omdat ze alles van waarde kwijt lijkt te zijn. Het leven heeft voor haar geen zin, daarover nadenken vindt ze nutteloos en ongezond. Ze is altijd onderweg, op reis, een zwervende Aramese — wonen overal, nergens thuis. ‘Dat is de enige manier van leven in de tijd,’ schrijft ze. Het levensverhaal van Sophie is doorweven met bizarre dromen, waarin tijden en plaatsen door elkaar lopen als verf in een aquarel. Op cruciale momenten in haar leven is zij bij volle bewustzijn aanwezig als levend lijk, in een doodskist. Ook tijdens haar huwelijk. Daar wordt ze in haar kist belaagd en beslapen door meerdere mannen — waaronder rabbijnen, Ezra voorop. Het huwelijk als sterfhuis. Eenmaal getrouwd roept steeds vaker tegen Ezra dat ze niet met hem getrouwd wil zijn. Maar hoe hard ze ook ‘het is voorbij’ tegen hem schreeuwt, Ezra legt zich er niet bij neer. Machteloos woedend, ontredderd, in tranen, komt hij steeds terug, sluipt haar leven binnen, is niet weg te branden. Ook bij haar echtscheidingsproces ligt ze in een kist en wordt ze uitgejouwd door conservatieve rabbijnen die tegen de scheiding zijn: ‘hoer, snol, Babylon’. Ze willen een verklaring van haar. Ze sneert: ‘Heren, waarom bent u zo oud en lelijk. Deze boel hier is oplichterij. Het leven na de dood, ziel, Laatste Oordeel, God, Een Volk, Een Wet: nooit een woord van geloofd.’

Sophie/Susan is al vroeg van het Jodendom in haar familie vervreemd. Zij logeerde als kind niet graag bij haar grootmoeder, de weduwe van de aartsconservatieve opperrabbijn, ‘omdat,’ zo schrijft ze, ‘bij haar de sabbat was. Die was nergens anders.’ Daar kwamen vreemde mannen, die een vreemde taal spraken. Met Pesach kwam de hele familie Feldmann alias Landmann — tien kinderen met aanhang — bij ‘omama’ samen. Behalve de tantes die met een rabbijn waren getrouwd, was niemand van die Landmannen gelovig, zelfs oma’s inwonende zoon niet. ‘Godsdienst was iets ouds en versletens; een lelijk, stoffig meubelstuk waarover je je schaamde het in huis te hebben, zelfs in de achterkamer. Je kon er net zomin vanaf komen als van je grootmoeder.’ ‘Maar het had ook een andere kant’, schrijft ze, ‘je was er trots op Jood te zijn. De Joden waren te intelligent om gelovig te zijn, vonden zij’. Haar vader schreef zijn atheïsme zelfs toe aan zijn Joods zijn. Omama ging flink tekeer tegen al dat ongeloof. Haar tirades waren een vast onderdeel van de seideravond. Iedereen boog dan beschaamd het hoofd en Sophies vader zei: ‘U hebt gelijk, moeder, wij zijn huichelaars, we zijn onwaardig,’ en hij prees haar langdurig de hemel in. Vervolgens zei hij, als oudste zoon: ‘Laten we beginnen.’ En de mannen begonnen te bidden. Alles kwam Sophie vreemd en onecht voor. Over haar vader: ‘Nu eens is hij werkelijk een biddende Jood, dan weer steekt hij de draak met een biddende Jood... misschien is er niet veel verschil, misschien hoort een Jood zo te bidden.’

De Haggada gaat open en de verhalen komen op gang, over de uittocht uit Egypte, over de wijze, de domme, de te jonge, en over de slechte zoon die die hele seider zinloos vindt. ‘Sla hem de tanden uit zijn bek,’ roepen ze in koor. Dan volgen vraag en antwoord: ‘Waarom is deze avond anders dan andere avonden?’ Daarna het trage psalmzingen. Dat alles wordt regelmatig en langdurig onderbroken door witsen, anekdotes en heen en weer geloop, onder andere naar de radio om naar toespraken van Hitler en Mussolini te luisteren. Vader maant de familie af en toe op te houden en voort te maken. Taubes schrijft:

De kamer vol mensen verandert in die oneerbiedige, weerspannige menigte Israëlieten die op Mozes mopperden omdat hij hen weg leidde uit Egypte, dat land van overvloed, en die rond het gouden kalf dansten. Het geheel had het karakter van een samenkomst voor een bloedbad. En misschien was dat wat Joods zijn altijd al had betekend. Altijd waren er die vreemde verhalen en het wachten op de profeet Elia, maar eigenlijk op iets vreselijks dat zou gebeuren, een grote straf. (…) Dat gevoel kreeg Sophie door het lawaai, de verwarring en de grapjes aan tafel: weerspannige kinderen die rondrenden door het huis van de dode rabbijn, grote mensen en kinderen die samen plagen van bloed, kikkers en duisternis over Egypte uitschreeuwden, als in een groteske komische opera.

Sophie hield van Hongarije, het land van haar jeugd, met zijn mythen en volksverhalen, en van haar school. Van haar vader, die niet in God geloofde, moest ze naar Hebreeuwse les. Waarom, vroeg ze op een dag. Ze haalde haar Tenach uit haar tas en smeet hem voor zijn voeten. Einde Hebreeuwse les.

En dan moet ze opeens weg, elf jaar oud, met haar vader zonder moeder naar Amerika. Want haar familieleden zeggen dat de Hongaren Jodenmoordenaars zijn. Wat ze niet begrijpt.

Ze moet afscheid nemen van haar toch al meestal afwezige moeder, Kamilla Ripper, met wie ze geen relatie heeft kunnen opbouwen. Die woont inmiddels samen met een andere man en blijft in Hongarije achter. ‘Je houdt niet van me,’ verwijt ze haar dochter bij het afscheid en huilt. Sophie is aan de grond genageld, maar kan, wil, mag haar niet troosten. ‘Omdat je altijd weg bent,’ bijt ze haar toe. Tussen hen staat een onzichtbare muur. Als verdoofd stapt Sophie in Boedapest op de trein.

Kamilla zal de oorlog en de gruwelijke moordpartijen op de Joden door de fascistische ‘Pijlkruisers’ overleven. Ze heeft nooit een ster gedragen en is nooit bang geweest. Na de oorlog zien ze elkaar terug. Kamilla verhuist zelfs in haar eentje naar Amerika. Maar een innig contact is het nooit geworden.

Sophie verafschuwde de commerciële Amerikaanse cultuur met zijn giga-reclames vol ‘domme, blije gezichten van bierdrinkende, soep slurpende en auto-minnende mannen vrouwen en kinderen: de goden van Amerika’. In New York kon ze zich wel een beetje thuis voelen. In een Hongaars boekwinkeltje op 2nd Avenue vond ze de boeken van haar jeugd terug. ‘In een boek wist ze waar ze was.’ Maar ze bleef ongedurig en onderweg.

De oorlog en de Shoah komen in Scheiden opvallend weinig ter sprake. Het is als een groot onweer dat in de verte rommelt. Sophie vertelt niets over de doden in haar familie. Toch heb je de neiging om haar zelfgekozen dood in verband te brengen met de oorlog. De scheiding van haar familie, van haar land en haar geliefde Boedapest is daar immers een direct gevolg van. Daar is zij niet overheen gekomen. En de scheiding van Jacob, alias Ezra, heeft zij kennelijk ook nooit verwerkt. Ze verdronk zichzelf, zoals de dichter Paul Celan en vele anderen die de oorlog overleefden. Zij konden niet verder leven.